Geschiedenis

HISTORIE (1) Cornelis Jellesz. [de Koe]
(ca. 1670-1738)
“… Daarnaast had de periode - die het voorportaal vormde van de leeftijd van Cornelis - niet in de laatste plaats zijn naam te danken aan door slim koopmanschap verkregen kapitaal. Het saldo van de staatskas zag er rooskleurig uit en had dat voor een belangrijk deel te danken aan de scheepvaart. De reizen die onder het gezag van de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) werden gemaakt spraken het meest tot de verbeelding, omdat het tochten naar exotische verre gebieden betrof. Begrijpelijk ook, want het is tenslotte de onderneming die de 17e eeuw - en Nederland - roem zou brengen als miljoenenbedrijf en eerste multinational ter wereld. Toch is het in feite zo, dat Nederland zijn rijkdommen dankte aan de Oostzeehandel.(3)
'In de 17e eeuw was Nederland de groote importeur en koopvaarder van Europa. Het geheele werelddeel werd door den Nederlandschen koopman, van goederen uit Oost en West voorzien. De Nederlandschen Maagd genoot volop van hare krachtige glanzende jeugd. Zijn goede naam dagteekende niet van vandaag of gisteren. Reeds in 1645 getuigde de Deensche Resident te 's-Hage, Martinus Tancken, daaromtrent:
"De inwoonders der Vereenichde Nederlanden hebben eerstelick grooter experientie aengaende de Schipvaert, dan de Oosterlinghen (bewoners van de Oostzeekusten) uyt welcke havenen die oock vaeren, connen oock met minder volck haere schepen regeeren.
Houdende op haere schepen beter mesnagie, ende geven aen het scheepsvolck minder Tractement welck Schipvolck in Hollandt ende Vriesland overvloedich is te becomen ende in de Oostersche (=Oostzee) Steden daerjegens seer raer, Sulcx dat men het daer voor hout, dat een Hollants schip met ses mannen geregeert can werden, daer een schip van gelijkcke groote van de Oosterlingen meer dan thien van noode heeft".' (1, waarin de schrijver S. Haagsma - G.W. Kernkamp aanhaalt, die op zijn beurt Martinus Tancken citeert. Pf)
Koopvaarders die het Oostzee gebied bezeilden brachten ons basisproducten voor de bouw van schepen, zoals hout, teer, staven (voor ijzer) en hennep (voor touw). Verder waren de meegebrachte granen pure noodzaak voor de voedselvoorziening in ons land. Beide aspecten zorgden ervoor, dat het de Moedernegotie werd genoemd; een handel die - zoals gezegd - al met al behoorlijk winstgevend was, en die een degelijke financiële basis had gelegd voor de verre vaarten van de VOC schepen.
Niet dat alles nu pais en vree was. Er werd een hele reeks oorlogen uitgevochten en het jaar 1672 staat zelfs te boek als een historisch rampjaar voor de Nederlanden. We werden belaagd door zowel Engelsen als Fransen en de keurvorsten van Keulen en Munster hadden zich daar ook nog eens bij aangesloten. Over die tijd leerden wij: de regering was radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.
Dat laatste bleek gelukkig niet wérkelijk het geval. Buiten de steun die we ontvingen van o.a. 'erfvijand nummer 1' Spanje, hadden we een paar kloeke mannen van eigen kweek in huis die in staat waren onze problemen aan te pakken. Buiten de zeehelden die ik net noemde, was daar onze Stadhouder Willem III, evenals politiek zwaargewicht De Witt. Al liep het met de laatste niet goed af. Dat kwam zo.
Het volk was dus redeloos. Zelfs zo onredelijk, dat men de briljante De Witt de Zwarte Piet toespeelde en in hem - onterecht - de grote boosdoener zag. HIJ had verkeerde beslissingen genomen. HIJ was de aanstichter van alle kwaad. De échte helden keken ‘toevallig’ net de andere kant uit en dus sprak niemand de meute tegen die zich tegen hem keerde. Het kwam ze wel goed uit dat er een uitlaatklep gevonden was voor de agressie die er leefde onder het volk, dat daarop De Witt in dat rampjaar 1672 eigenhandig vermoordde. Gelukkig ontpopte stadhouder Willem III zich steeds meer als een groot politicus. Hij schopte het in 1689 - met de Engelse Maria Stuart als moeder - zelfs tot koning van Engeland, waardoor Nederland uit die hoek voorlopig niets meer te vrezen had.
Deze periode kenmerkt zich verder door wat nu de ''kleine ijstijd'' genoemd wordt en die zo ongeveer - over de aan- en afloop ervan zijn de meningen nogal verdeeld - duurde van 1430 tot 1850. Volgens het KNMI althans. Stel je daarbij geen zomerse schaatstaferelen voor, want dat zou zwaar overdreven zijn. Wel waren de winters over het algemeen strenger dan gewoonlijk en lag de gemiddelde temperatuur wat lager dan normaal. In het eerste kwart van de 17e eeuw - toen de ijslagen nog dik genoeg waren - zag je een soort zeilschepen met ijzers er onder op de bevroren plassen verschijnen, waarvoor zelfs koninklijke belangstelling bestond.
De meesten hielden het bij simpeler vermaak. Kolven was al sinds de 13e eeuw een geliefde bezigheid én schaatsen vanzelfsprekend. Rijk of arm, op het ijs leek iedereen wel gelijk. Dichter Hugo de Groot schreef een veelzeggend gedichtje over een edelman die op het ijs aan de rol ging met een boerendeerne; normaal gesproken een uitgesloten samenzijn! Ook Vadertje Cats hief de waarschuwende vinger en waarschuwde dat 'midden in de kou de jonge lieden branden.'
Over Nederlanders zeiden ze niet voor niets: 'Als het vriest, ontdooien ze.'
Veel schilders hebben zich door die koudere winters laten inspireren en maakten plaatjes van prachtige winterlandschappen, van ijspret en van uitglijdende dames die - neem ik aan - onvrijwillig met de billen bloot gingen. Ik stel me zo voor, dat voorvader Cornelis ergens tussen kind en knaap was in het jaar 1679 toen het op 'den 5 febrijwarij soo kout als het bij menschengedencken noeijdt geweest hadt des sondaghs.' ……………
………………….. Alhoewel Workum, de plaats waar Cornelis tot zijn huwelijk gewoond had, niet direct aan zee lag, was de stad volop betrokken bij de handel op het water. Dat kon omdat er een brede waterweg die It Soal heette van de stad naar de Zuiderzee liep. Anno Nu is hij - in gedempte vorm - de winkel- en hoofdstraat. 'Vooruitgang' noemen ze dat. Workum herbergt sinds die vroege tijden ook haar scheepswerf De Hoop. Al met al dus niet onmogelijk dat hij ooit met een schip vol handel Woudsend aandeed en zich daar een bruid vond.
Het jaar 1698 gaf opnieuw aanleiding tot dankbaarheid in het gezin van Cornelis en de 25-jarige Bauckje toen er een tweede gezonde zoon werd geboren. Hem noemden ze Roelof en ook hij zou later een varend leven gaan leiden. Nederland vervulde in zijn geboortejaar nog op verschillende fronten een voorbeeldfunctie, waarbij onze scheeps-bouw zelfs in de belangstelling stond bij de machtigste man van Rusland, Tsaar Peter de Grote. Die trok een ouwe buis aan en ging in de leer bij de scheepsbouwers die rond de eeuwwisseling op werven in Zaandam en Amsterdam werkten, waarna hij de opgedane kennis kon doorgeven aan zijn onderdanen.
'De Czaar was op de ontvangst van het bericht dat er zich eene groote Nederlandsche fluit aan den mond van de Neva vertoonde en koers zette om de rivier op te zeilen, zóó verrukt, dat hij zelf het schip met eene sloep tegemoet voer en het door de zandbanken heen, naar 'n veilige reede loodste.' Vervolgens werd de schipper uitgenodigd de maaltijd met hen te gebruiken en dáár kreeg hij pas te horen dat het de Tsaar zélf was geweest die hem had binnengeloodst. Peter de Grote op zijn beurt hoorde toen, dat het 'zijne Zaandamsche vrienden Calf waren die het schip hadden bevracht en hem nu deze verrassing hadden bereid', een gebaar dat hij bijzonder kon waarderen van deze reders familie. (1)
Vooral Amsterdam kon rekenen op zijn bewondering en daarom besloot hij de vormgeving ervan ''na te bouwen''. En het moest ook nog aan een water zijn, het liefst zoiets als de Amstel. Die plek was snel gevonden en zo bouwde hij - vanuit het niets - zijn naamstad Sint Petersburg aan de Neva, een klus die in 1703 voltooid zou zijn. De eerste die na alle noeste arbeid de rivier stroomopwaarts zeilde was een Friese koopman/schipper: Auke Wybesz uit Hindeloopen. Zijn reisdoel was St. Petersburg, de stad die uitverkoren was door Tsaar Peter de Grote en waarheen hij 'de geheele scheepvaart en handel van zijn uitgestrekte rijk wenschte te verleggen.' (1)

Aan deze actie heeft schipper Auke Wybesz trouwens nog heel wat plezier beleefd! Hij mocht zijn handel voortaan tolvrij verkopen. Verder kreeg hij bij elk volgend bezoek geschenken én voorrang om in de haven het eerst geholpen te worden, wat een hoop tijdwinst opleverde. Een recht overigens, dat daarna zijn zoon en vervolgens zijn kleinzoon Peter - die naar de Tsaar vernoemd was - erfden. Toen de laatste genoeg meende verdiend te hebben en het varen er aan gaf heeft hij het schip waarvoor dit privilege gold, de ''St. Petersburg'', niet verkocht, maar laten slopen, omdat hij het niet netjes vond 'om ook anderen in de aan de familie geschonken privilegiën te doen delen.' (1)

Er waren meer zaken waarover wij veel knowhow in huis hadden, die de Tsaar goed kon gebruiken. Betreffende de ontleedkunde werd er in ons land bijvoorbeeld al vele jaren kennis opgedaan inzake de inwendige mens, in een wetenschap die ''pathologische anatomie'' heet. 'Wij waren op dat gebied zo uniek in de wereld, dat Tsaar Peter de Grote, ter bevordering van de wetenschap in Rusland, omstreeks 1698 een grote verzameling organen op sterk water kocht van de beroemde Amsterdamse anatoom professor Frederik Ruysch. Helaas kwamen de meeste preparaten in bedorven toestand in Rusland aan, omdat de zeelui onderweg de alcohol uit de potten had gedronken.' (19)

Goed, díe mannen hadden er dan misschien niet zoveel kijk op. Maar beroemde schilders - de fotografen van hun tijd - verbeeldden trots de prachtigste opengesneden en/ of gefileerde lijken, waarvoor regelmatig ter dood veroordeelde boeven werden gebruikt. De wetenschap heeft veel te danken aan die jongens, al klinkt het wat luguber allemaal. Maar hadden de artsen toen niet geoefend, ging je nu nog dood aan een blindedarmontsteking. En het is op z'n minst bewonderenswaardig dat een belangrijk man als Tsaar Peter de Grote zich niet te trots voelde kennis te vergaren op terreinen waarbij - en bij mensen in wie - hij zijn meerdere erkende. ………………………………………………………“

bron: http://www.genpage.nl/dekoe/dekoe1/stamreekskoe69.htm
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl © Lydia Hoogland - 23 april 2003